De juiste plug kiezen voor gips, gasbeton, beton of holle steen
Een plank die scheef hangt of een kapstok die na een half jaar loskomt, ligt bijna nooit aan de schroef en bijna altijd aan de plug. In de bouwmarkt staat een muur vol zakjes en de meeste mensen pakken het doosje waar universeel op staat, boren een gat en hopen er het beste van. Bij een massieve stenen muur gaat dat goed. Bij gipsplaat, gasbeton of een holle bouwsteen gaat het mis, en dan meestal precies op het moment dat er gewicht aan hangt.
Het goede nieuws is dat je maar vier muursoorten hoeft te herkennen en dat je dat zonder gereedschap kunt doen. Hieronder staat hoe je dat doet, welke plug bij welke muur hoort en in welke volgorde je te werk gaat. Ik werk zelf met een klein doosje waarin van elk type een handvol zit, zodat ik nooit halverwege een klus alsnog de auto in moet.
Eerst je muur herkennen
Klop met je knokkel op de plek waar je wilt boren. Klinkt het hol en licht, dan zit je op gipsplaat of op een voorzetwand. Klinkt het dof en massief, dan zit er steen of beton achter. Boor daarna een proefgaatje van een centimeter of twee en kijk naar het stof dat eruit komt: wit en poederig wijst op gips of gasbeton, grijs en korrelig op beton of kalkzandsteen, roodbruin op baksteen. Voel ook hoe de boor loopt. Gaat hij bijna vanzelf naar binnen zonder klopstand, dan heb je gasbeton te pakken.
| Muursoort | Hoe je hem herkent | Welke plug | Boren |
|---|---|---|---|
| Gipsplaat of voorzetwand | klinkt hol, boor zakt na twaalf millimeter door in het niets | hollewandplug of tuimelplug, bij licht gewicht een gipsplaatplug die je indraait | houtboor, geen klopstand, of helemaal geen boor bij een indraaiplug |
| Gasbeton of cellenbeton | wit poederstof, boor loopt heel makkelijk, muur voelt licht | gasbetonplug, een dikke spiraalvormige plug | steenboor zonder klopstand, gat iets krapper dan je gewend bent |
| Kalkzandsteen of beton | grijs korrelig stof, boor moet werken, klinkt dof | gewone nylon spreidplug of slagplug | steenboor met klopstand, gat op maat |
| Holle baksteen of snelbouwsteen | roodbruin stof, boor schiet halverwege plotseling door | hollewandplug of een lange plug die achter de wand grijpt, bij zwaar gewicht chemisch anker | steenboor zonder klopstand, anders breek je de binnenwandjes |
Dat laatste is de fout die het vaakst wordt gemaakt. Snelbouwsteen ziet er van buiten uit als gewone steen, maar zit vol holle kamers. Een spreidplug spreidt daar in de lucht en houdt niets vast. Wie op een muur uit de jaren tachtig of later boort, kan er beter van uitgaan dat de steen hol is tot het tegendeel blijkt.
Wat je nodig hebt
- Boormachine met klopstand, en een schroefmachine of goede schroevendraaier
- Steenboren in 6, 8 en 10 millimeter, plus een houtboor voor gipsplaat
- Een doosje met gemengde pluggen: nylon spreidpluggen, hollewandpluggen, gasbetonpluggen
- Schroeven die bij de plug horen, en niet de schroef die toevallig in je pot lag
- Leidingzoeker of metaaldetector
- Waterpas, potlood, rolmaat
- Stofzuiger of een oud kwastje om het gat schoon te maken
- Eventueel een chemisch anker met patroon voor zwaar gewicht in holle steen
Pluggen en boren koop je bij Gamma, Praxis, Karwei of Hornbach, en bij een ijzerwarenhandel of bouwmaterialenhandel als je iets specifieks zoekt zoals een chemisch anker of pluggen voor gasbeton in een groter aantal. Voor losse stuks is de bouwmarkt prima; ga je meerdere klussen doen, dan is een assortimentsdoos met verschillende maten al snel voordeliger dan drie losse zakjes. Fabrikanten zetten op de verpakking welke boormaat en welke schroeflengte erbij horen: dat is geen richtlijn maar de maatvoering waarop de plug is berekend.
Zo ga je te werk
- Zoek naar leidingen voordat je iets doet. Boven en onder een stopcontact of schakelaar lopen leidingen verticaal, en langs plafond en vloer horizontaal. Blijf uit die stroken en haal er een leidingzoeker overheen. Kost twee minuten en scheelt in het slechtste geval een dag met een loodgieter.
- Teken af en controleer met de waterpas. Meet vanaf de vloer, niet vanaf het plafond, want plafonds in oudere huizen zijn zelden recht. Zet je punten op de muur en leg de waterpas erlangs voordat je de boormachine pakt.
- Bepaal de muursoort met een proefgaatje. Boor op een plek waar straks toch iets overheen komt. Kijk naar het stof en voel hoe de boor loopt. Pas hierna kies je de plug.
- Boor het gat recht en op maat. Houd de boor haaks op de muur; een schuin gat is de tweede grote reden dat pluggen loslaten. Boor iets dieper dan de plug lang is, zodat het gruis onderin niet in de weg zit. Bij gipsplaat en gasbeton zet je de klopstand uit, anders sloop je het gat groter dan de plug.
- Maak het gat schoon. Zuig het uit of blaas het leeg met een kwastje. Stof in het gat werkt als glijmiddel en dat is precies wat je niet wilt.
- Duw de plug er volledig in. De kraag moet gelijk liggen met de muur. Steekt hij uit, dan is het gat te ondiep en gaat het ding scheef staan zodra je aandraait.
- Draai de schroef aan tot hij pakt, en dan stoppen. Overdraaien is bij pluggen fataal: je draait het spreidgedeelte kapot en vanaf dat moment houdt niets meer. Bij een hollewandplug voel je duidelijk het moment waarop de achterkant zich vastzet.
- Test met gewicht voordat je de boel vult. Hang aan de plank, trek aan de kapstok. Beweegt er iets, haal het er dan uit en gebruik een gat dat een maat groter is met een dikkere plug in plaats van er nog een schroef naast te zetten.
Als het toch loskomt
Een gat dat is uitgelopen kun je vaak redden zonder alles te verplaatsen. Boor het gat een maat groter en zet er een dikkere plug in, of gebruik in gipsplaat alsnog een tuimelplug die achter de plaat openklapt. In steen werkt een chemisch anker: dat is een hars die je in het gat spuit en die de schroefdraad zelf vasthoudt, ideaal bij holle bouwsteen waar geen enkele plug houvast vindt. Wat niet werkt, en wat je overal ziet gebeuren: lucifers, prop papier of houtlijm in het gat. Dat houdt precies zolang als het duurt voordat iemand er echt aan trekt.
Verder geldt: hoe zwaarder het voorwerp, hoe belangrijker het aantal bevestigingspunten wordt. Twee stevige pluggen dragen meer dan vier slechte. Bij een zware kast of een tv-beugel is het bovendien verstandig om te kijken of je de stijlen achter een gipswand kunt raken, want een schroef in het hout van een metalstudframe is altijd sterker dan welke plug ook.
Waar het in huis meestal fout gaat
Gordijnrails zijn berucht, omdat ze bijna altijd in de bovenhoek van een kamer worden gemonteerd waar een houten latwerk, een gipsrand of juist massief beton kan zitten, en dat verschilt soms binnen dezelfde muur. Wie daar begint zonder proefgaatje, hangt de helft van de rail in het luchtledige. Voor het meetwerk eromheen, dus op welke hoogte en breedte je zo’n rail zet, staat op deze site al een uitgebreid stuk over gordijnen ophangen.
De tweede klassieker is de fotowand. Twintig kleine gaatjes in gipsplaat lijken onschuldig, maar elk lijstje van een kilo of meer wil zijn eigen bevestiging, en een spijkertje in gips houdt niet meer dan een ansichtkaart. Wie zo’n wand opbouwt, kan het beste eerst de indeling op de vloer leggen zoals beschreven bij het maken van een fotowand en pas daarna gaan boren. Hang je juist iets zonder lijst op, denk aan textiel, een paneel of een doek, dan valt het gewicht mee maar wil je vaak op een onlogische plek uitkomen; ook dan is kunst zonder lijst ophangen een kwestie van eerst de muur bepalen en dan pas de bevestiging kiezen.
Wat mij betreft is het hele verhaal terug te brengen tot één gewoonte: boor altijd eerst dat proefgaatje van twee centimeter en kijk naar het stof. Het kost tien seconden en het is het enige moment in de klus waarop je nog gratis van gedachten kunt veranderen.




Geef een reactie